De GINA-richtlijnen van 2025: FeNO-testen verheffen tot diagnostisch hulpmiddel voor type 2-astma.

Jarenlang is de fractionele uitgeademde stikstofmonoxide (FeNO)-test een waardevolle aanvulling geweest op de diagnostische hulpmiddelen van de astmaarts, voornamelijk ter ondersteuning van behandelbeslissingen. De update van de richtlijnen van het Global Initiative for Asthma (GINA) uit 2025 markeert een belangrijke ontwikkeling, waarbij de rol van FeNO formeel is uitgebreid van beoordeling en behandeling naar actieve ondersteuning bij de diagnose van type 2 (T2) inflammatoire astma. Deze verfijning erkent de centrale rol van fenotypering in de moderne astmazorg en biedt een preciezere, biologisch onderbouwde benadering van de initiële diagnose.

图foto1

FeNO: Een venster op luchtwegontsteking

FeNO meet de concentratie stikstofmonoxide in uitgeademde lucht, wat dient als een directe, niet-invasieve biomarker voor eosinofiele, of T2, luchtweginflammatie. Deze ontsteking, veroorzaakt door cytokinen zoals interleukine-4, -5 en -13, wordt gekenmerkt door verhoogde IgE-waarden, eosinofielen in bloed en sputum, en respons op corticosteroïden. Traditioneel wordt FeNO gebruikt om:

Voorspel de respons op inhalatiecorticosteroïden (ICS): Hoge FeNO-waarden duiden betrouwbaar op een grotere kans op baat bij ICS-therapie.

Monitor therapietrouw en ontstekingsremming: Seriële metingen kunnen objectief de therapietrouw van de patiënt aan de ontstekingsremmende behandeling en de onderdrukking van de onderliggende T2-ontsteking beoordelen.

Richtlijnen voor het aanpassen van de behandeling: trends in FeNO kunnen helpen bij het nemen van beslissingen over het verhogen of verlagen van de ICS-dosering.

De verschuiving van 2025: FeNO in het diagnostisch traject

De belangrijkste vooruitgang in het GINA-rapport van 2025 is de versterkte steun voor FeNO als diagnostisch hulpmiddel bij het identificeren van T2-hoog astma op het moment van presentatie. Dit is met name cruciaal in de context van de heterogene presentatie van astma.

图foto2

 

Het onderscheiden van astmafenotypen: Niet alle piepende ademhaling of kortademigheid is klassiek T2-astma. Patiënten met niet-T2-astma of paucigranulocytaire ontsteking kunnen vergelijkbare symptomen vertonen, maar lage FeNO-waarden hebben. Een consistent verhoogde FeNO-waarde (bijv. >35-40 ppb bij volwassenen) bij een patiënt met suggestieve symptomen (hoest, piepende ademhaling, variabele luchtwegobstructie) levert nu overtuigend positief bewijs voor een T2-hoog endotype, zelfs vóór een proefbehandeling.

Ondersteuning van de diagnose in lastige situaties: Bij patiënten met atypische symptomen of wanneer de spirometrie-uitslagen op het moment van testen onduidelijk of normaal zijn, kan een verhoogde FeNO-waarde het cruciale objectieve bewijs vormen dat wijst op een onderliggend T2-ontstekingsproces. Het helpt de diagnose te verschuiven van een diagnose die uitsluitend gebaseerd is op variabele symptomen naar een diagnose die een biologische signatuur omvat.

Inleiding tot de initiële behandelstrategie: Door FeNO in de diagnostische fase te integreren, kunnen artsen de therapie vanaf het begin rationeler afstemmen. Een hoge FeNO-waarde ondersteunt niet alleen een astmadiagnose, maar voorspelt ook sterk een gunstige respons op eerstelijns ICS-therapie. Dit maakt een meer gepersonaliseerde, "direct de juiste" behandelaanpak mogelijk, wat potentieel kan leiden tot betere vroege controle en resultaten.

Klinische implicaties en integratie

De richtlijnen voor 2025 bevelen aan om FeNO-testen te integreren in het initiële diagnostische onderzoek wanneer er een vermoeden van astma bestaat en de test beschikbaar is. De interpretatie volgt een gestratificeerd model:

Een hoge FeNO-waarde (>50 ppb bij volwassenen): ondersteunt sterk de diagnose T2-hoog astma en voorspelt de respons op inhalatiecorticosteroïden (ICS).

Gemiddelde FeNO-waarden (25-50 ppb bij volwassenen): Moet in de klinische context worden geïnterpreteerd; kan wijzen op T2-ontsteking, maar kan worden beïnvloed door atopie, recente blootstelling aan allergenen of andere factoren.

Een lage FeNO-waarde (<25 ppb bij volwassenen): Maakt T2-gerelateerde ontsteking minder waarschijnlijk, waardoor alternatieve diagnoses (bijv. stembanddysfunctie, niet-T2-astmafenotypen, COPD) of niet-inflammatoire oorzaken van de symptomen in overweging worden genomen.

Deze update maakt van FeNO geen op zichzelf staande diagnostische test, maar positioneert het als een krachtige aanvulling op de klinische anamnese, symptoompatronen en spirometrie/reversibiliteitstesten. Het voegt een laag objectiviteit toe die het diagnostische vertrouwen versterkt.

图foto3

Conclusie

De GINA-richtlijnen van 2025 betekenen een paradigmaverschuiving en verstevigen de status van FeNO-testen van een hulpmiddel bij de behandeling tot een integraal diagnostisch instrument voor type 2-astma. Door een directe, objectieve meting van de onderliggende T2-ontsteking te bieden, stelt FeNO artsen in staat om bij het eerste consult nauwkeurigere fenotypische diagnoses te stellen. Dit leidt tot een gerichtere en effectievere initiële behandeling, wat perfect aansluit bij de moderne ambitie van precisiegeneeskunde in de astmazorg. Naarmate de toegang tot FeNO-technologie toeneemt, zal de rol ervan bij zowel de diagnose als de therapie voor T2-hoog astma een standaardbehandeling worden, met als uiteindelijk doel betere patiëntresultaten door vroegere en nauwkeurigere interventie.

Het UBREATH ademgasanalysesysteem (BA200) is een medisch apparaat, ontworpen en geproduceerd door e-LinkCare Meditech, dat zowel FeNO- als FeCO-testen kan combineren om snelle, nauwkeurige en kwantitatieve metingen te leveren ter ondersteuning van de klinische diagnose en behandeling van aandoeningen zoals astma en andere chronische luchtweginflammatoire aandoeningen.

图foto4

Geplaatst op: 23 januari 2026